51 Tinten Grijs: over misbruik van, misverstanden en misinformatie over de begrippen “dominantie” en “correctie”

WolfIn dit artikel

  • Misverstanden en misinformatie
  • Welke misverstanden zijn er?
  • 1. Corrigeren werkt niet
  • 2. Dominantie bestaat niet
  • 3. De evolutie van de hond heeft niets te maken met wolven
  • Literatuurverwijzingen
  • Simon Gadbois seminar in Nederland
  • Credits
  • Reageer op dit artikel

Misverstanden en misinformatie

Ha, de 80’s… De nostalgie van de jaren tachtig. Afronden van de High School, beginnen met de Universiteit, de beste en de slechtste muziek van de afgelopen 50 jaar. Sprekend over de dingen die we niet missen: matjes en paardenstaarten (sorry mam, iedereen deed het…), broeken van parachutestof en stonewashed jeans (alsjeblieft, vertel me niet dat die terug komen), schoudervullingen, blauwe oogschaduw en de op straf en dwang gebaseerde hondentrainingsmethoden…

De 90’s waren verfrissend. We begonnen het ‘Decennium van het Brein’ (de nieuwe fixatie op en obsessie met neurowetenschappen), begonnen te focussen op honden als echte onderzoeksonderwerpen en gingen ons te buiten aan een vrij radicale heroverweging van alles wat te maken had met honden en wolven. Er kwam veel goeds uit de 90’s, maar er werden ook veel mythen gecreëerd.

Thomas Stofzuigers

Het was ook het begin van een nieuwe waardering voor de wetenschap in het algemeen. Populariseren van wetenschap en het vertalen van kennis werd de focus van sommige wetenschappers. Sommigen deden dat goed. Heel goed. Anderen verwarden populariseren met teveel versimpelen en het polariseren van kwesties tussen ‘goed’ en ‘fout’. Zij moedigden het idee aan van een ‘waarheid’ en het verkeerde idee dat de wetenschap gaat over ‘feiten’ of over het ‘bewijzen’ van dingen.

Laten we eens kijken naar enkele van die ideeën. Ten eerste, de wetenschap bewijst NIETS. De wetenschap kan alleen ‘vrij zeker’ worden over iets (op z’n best). Wiskunde (een instrument van de wetenschap) kan bewijzen bieden, maar het wetenschappelijke proces zelf gaat niet over iets bewijzen. Het maakt niet uit of je gebruik maakte van een nulhypothese toets, van Bayesiaanse statistiek of van wat voor andere methode ook. Als er één ding is dat we als wetenschappers weten over onderzoek, dan is het waarover we niet 100% zeker zijn.

Helaas willen sommige wetenschappers en niet-wetenschappers overtuigend zijn en maken ze gebruik van zeer krachtige taal om hun punt te maken. Velen zouden die strategie verdedigen door te stellen dat ze trainers er van moeten overtuigen dat ze het verkeerd doen. Het lijkt er op dat er nu een nieuwe beweging is die een aantal van die geschapen mythes en misverstanden recht gaat zetten. Sommigen van ons die betrokken zijn bij een aantal van deze commentaren (bv Roger Abrantes, Marc Bekoff, Monique Udell en ikzelf) worden vaak bekritiseerd omdat we tegen de stroom in schijnen te gaan. Interessant is dat we vanuit een wetenschappelijk perspectief juist met de stroom mee gaan. Ik zal hieronder daarop ingaan.

Eén ding dat het proces van kennisvertaling in de hondenwetenschap plaagt, is het feit dat het publiek vooral toegang heeft tot boeken (weliswaar geschreven door wetenschappers). Een weinig bekend feit is, dat de meeste wetenschappers geen boeken schrijven (of blogposts, of Facebookreacties)… Ze schrijven wetenschappelijke artikelen, presentatieposters en geven lezingen aan collega’s op wetenschappelijke conferenties. Waarom? Omdat veel wetenschappers, zo niet de meeste, niet geïnteresseerd zijn in het delen met het publiek van wat ze doen. Ze hebben geen tijd om boeken te schrijven omdat, uiteindelijk, het peer-reviewed artikelen zijn en niet boeken die je een vaste aanstelling, promotie en financiering van je wetenschappelijke werk bezorgen.

Het resultaat is interessant: de meeste niet-wetenschappers in de hondenwereld hebben een zeer vertekend beeld van wie er eigenlijk bekend is in de wereld van de hondenwetenschap. Ze zullen Coppinger noemen, Klinghammer, Miklósi, Mech etc. (allemaal echt grote wetenschappers, voor de goede orde), samen met wat veel minder bekenden in wetenschappelijke kringen, en zien voorbij aan een aantal andere giganten in dit veld. Het verbijstert me altijd dat mensen die geïnteresseerd zijn in wolven Carbyn, Fentress, Frank, Ginsburg, Harrington, Moran, Murie, Paquet, Peterson, Pimlott en Zimen niet kennen. En zo vele anderen, niet te overziene bijdragers aan dit onderzoeksveld (zowel in aantal publicaties als in wetenschappelijke bijdragen en reputatie). Hoewel de meeste van hen geen boeken geschreven hebben, of in ieder geval niet na de 90’s, hebben ze onmiskenbaar invloed op het gebied van wolvenonderzoek (een van mijn promotors, John Fentress, legt op dit moment de laatste hand aan een boek).

Welke misverstanden zijn er?

Wat zijn voorbeelden van verwarring die is ontstaan vanuit sommige bijdragen aan de gepopulariseerde hondenwetenschap? Hier is een korte lijst van mythen. Laat ik op voorhand vast aangeven dat wie ik ook ken die a) daadwerkelijk gewerkt heeft met wolven of het leren van dieren bestudeerde, en b) daadwerkelijk de wetenschappelijke artikelen bestudeerde, de onderstaande uitspraken niet zou doen:

  1. Corrigeren werkt niet en is altijd wreed.
  2. Dominantie bestaat niet bij wolven.
  3. De evolutie van de hond heeft niets te maken met wolven.

Er is nogal wat te zeggen over elk van deze items. Merk ook op dat, met opzet, deze uitspraken erg zwart-wit zijn. In feite, in het bijzonder met de correcties, verduidelijkingen en zelfs herroepingen van de afgelopen jaren door een aantal individuen, zullen veel van jullie denken dat ik buitensporig overdrijf. Oké, tot op zekere hoogte ga ik daarin mee, maar kijkend naar wat ik lees op Facebook en elders is dit in ieder geval de ‘donkere’ kant van het spectrum.

Zie je, wetenschap gaat over grijstinten. Wetenschap streeft naar een consensus. Wetenschap zoekt naar zich op één punt richtende bewijzen. Dat vertaalt zich maar zelden in ‘zwart of wit’ uitspraken. Wetenschap gaat over synthese, ruimdenkendheid, zelfs over compromissen. Het tegen elkaar afzetten van verschillende theorieën is onderdeel van het proces. Maar het punt is om tot een gulden middenweg te komen. Tot die geïdealiseerde ‘waarheid’ die sommigen je beloven. Ongeacht wat ze zeggen, wetenschappers zijn idealisten (en menselijk). Soms laten ze zich meeslepen door hun overtuigingen en meningen.

Mijn vader gaf me een geschenk, vroeg in mijn leven als jonge wetenschapper. In de jaren 50 studeerde hij af bij Jean Piaget aan de Sorbonne. Naar wat ik begrijp, worstelde hij zeer om de Noord-Amerikaanse psychologie en die van het Europese continent met elkaar te verzoenen. In dat proces echter werd hij heel bedreven in de redeneerkunst, wat hij mij leerde door steeds heel zorgvuldig ieder argument of idee af te wegen dat ik naar voren bracht (hoewel ik me dat toentertijd niet volledig bewust was).

Dat werkt simpel: poneer een stelling, de these (bv ‘correctie werkt niet’). Vind de ‘bewijzen’ daarvoor, pleit voor dat punt. Vervolgens formuleer je de tegenovergestelde bewering, de antithese (bv ‘correctie werkt’). Dezelfde gang van zaken: verzamel de data en bepleit dat gezichtspunt. Tenslotte en het meest belangrijk: formuleer de synthese. Die zal waarschijnlijk niet zwart (these) of wit (antithese) zijn maar iets in het midden, in de grijstinten. Mijn vaders gave was mij te leren relativeren en nooit dogmatisme te accepteren, noch in de wetenschap, noch in iets anders in het leven.

1. Corrigeren werkt niet

De stelling dat ‘correctie niet werkt’ is snel en makkelijk te ontmantelen. Vanzelfsprekend (en helaas) werkt correctie (meestal). Als iemand van jullie probeert om wetenschap te gebruiken om de stelling dat ‘correctie niet werkt’ te onderbouwen, dan brengt die zichzelf in problemen. Er zijn letterlijk duizenden wetenschappelijke artikelen en honderden wetenschappelijke boeken (bv het klassieke Handbook on Operant Conditioning, Honig & Staddon, 1977; Domjan 2003*) die dit bevestigen: gebruik van correctie kan gedragingen onderdrukken, of zelfs compleet beëindigen (en dat is tenslotte de definitie van de term).

De vraag in dit geval gaat over de geformuleerde stelling als zodanig. Die stelling mist namelijk het punt ‘wat zijn de neveneffecten van correctie’? Dat is de vraag! En zoals ik vaak beargumenteer, dan vallen we meer in ethische dan in wetenschappelijke argumenten. Ik vind wetenschappers en hondentrainers vaak niet moedig genoeg om ‘slechts’ een ethische stelling te poneren. Mijn aanpak is om de vraag te stellen ‘wat voor relatie je wilt met je hond: een op basis van dwingende en bestraffende interacties, of een op basis van vriendschap, communicatie en wederzijds begrip?’

Er is nog een ander belangrijk probleem waar het gaat om de argumenten tegen correctie. Niet alle correctie is ‘bestraffend’ en ‘dwingend’. De wetenschappelijke definitie stelt niet meer dan dat correctie tenminste de frequentie (aantal per tijdseenheid), duur en intensiteit van een gedrag vermindert. Niets hier suggereert de noodzaak tot het gebruik van schokken, slaan, schoppen, schreeuwen enz. Op een of andere manier kreeg de wetenschappelijke term een donkere bijklank/ondertoon.

Elke student in de experimentele psychologie heeft tenminste één cognitieve computertaak gedaan, waarbij de computer feedback geeft voor goede (geluid A) of foute (geluid B) antwoorden. Dit wordt meestal gedaan opdat de student zijn kennis van de taak kan verhogen en zijn reactiepatroon kan veranderen om de prestaties te verbeteren. Is het niet fascinerend dat hetzelfde idee veel trainers zal afstoten? Het idee om (zachtjes) ‘nee’ of ‘nuh uh’ te zeggen of om gebruik te maken van een ‘geen beloning’ marker (een zeer fraaie terminologie om ‘correctie’ te omschrijven) lijkt mensen meteen onder de wapenen te brengen. Waarom? Wel, technisch gezien, als ‘nee’ betekent ‘dat was niet de juiste keuze’ of ‘niet meer doen’ en de hond herhaalt het gedrag niet meer… dan was het een correctie.

Het is eigenlijk wat ik graag informatie noem. Simpel. We willen als mensen graag informatie, omdat dat het leren versnelt, het helpt ons de wereld te begrijpen en het helpt ons de regels van het spel te verstaan. Toen ik klassieke gitaar leerde spelen in de 70’s, was ik erg blij dat de leraar me vertelde wat ik goed deed en wat verkeerd. Het was minder frustrerend om mijn fouten te weten, dan om te proberen te raden wat ik niet goed deed. Hij werd betaald om me dat te vertellen.

Waarom ontzeggen we onze honden die informatie? In mijn lab werken we veel met Border Collies. Ik heb Border Collies gek zien worden als ze alleen verteld werd wat ze goed deden, en genegeerd werden wanneer ze een verkeerde keuze maakten (bv in een passend-bij-het-voorbeeld taak). In wezen wordt het negeren van verkeerde reacties zeer aversief zonder de hond echt te vertellen wat hij moet vermijden om te doen. Interessant, niet? Dat zal vertrouwd klinken. Louter positieve bekrachtiging-trainers zullen vaak argumenteren dat correctie de hond niet zal vertellen wat te doen. Mmmmh… dat is waar… maar alleen positieve bekrachtiging zal de hond ook niet vertellen wat te vermijden. Dat wordt heel duidelijk in complexe taken met meerdere keuzes, die een veelheid inhouden aan mogelijke fouten en missers. Maar nogmaals, je bent niet aan het ‘corrigeren’ (met de moderne, niet-wetenschappelijke betekenis), je bent aan het informeren.

Om deze discussie over correctie samen te vatten:

  1. Correctie werkt… maar als het bestraffend en dwingend is, maakt dat het niet goed of ethisch.
  2. Correctie is niet persé bestraffend of dwingend.
  3. Informatie (feedback) over goede keuzes (positieve feedback) en fouten (negatieve feedback) versnelt het leren en vermindert frustratie… zelfs als technisch de negatieve feedback moet worden gedefinieerd als ‘correctie’ (omdat het er voor zorgt dat gedrag van de honden vermindert of verdwijnt).

2. Dominantie bestaat niet

Als het gaat over dominantie… ugh… wat een puinhoop is dat… en de verwarring tussen dominantie (als status versus als eigenschap), dominantiehiërarchieën, agressie, agressiviteit, agonistische gedragingen, rang, status enz. Mensen citeren artikelen die worden verondersteld het dominantieconcept te verwerpen, terwijl deze eigenlijk alleen maar de alpha rol herdefiniëren en in feite zelfs suggereren dat de ouders een stevige greep hebben op de pups (dus nogal disciplinerend zijn)… Ja, dat Mech artikel (1999). Dezelfde auteur die meer recent publiceerde over dominantie in wolven (bv Mech, 1999; Mech, 2000; Peterson, Jacobs, Drummer, Mech, Smith, 2002) omdat hij werkelijk nooit het bestaan van dominantiehiërarchieën ontkende, en dezelfde auteur die aan Marc Bekoff schrijft over Bekoff’s belangrijke stuk ‘Social Dominance is Not a Myth: Wolves, Dogs and Other Animals’, gepubliceerd in een ander blogplatform in februari 2012: “(…) een snelle blik over het (naam verwijderd) artikel onthult veel misinformatie die aan mij wordt toegeschreven. Deze misinterpretatie en totaal verkeerde informatie als die van (naam verwijderd) plaagt me inmiddels al jaren. Ik verwerp op geen enkele wijze het denkbeeld van dominantie”.

In een online essay schrijft Mech ook “Overeenkomstig zijn pups ondergeschikt aan beide ouders en oudere broers en zussen, en toch worden ze bij voorrang gevoed door de ouders en zelfs door hun oudere (dominante) broers en zussen (Mech et al, 1999). Anderzijds, beide ouders domineren de oudere nakomelingen en beperken hun voedselinname wanneer het voedsel schaars is, en voeden in plaats daarvan de pups. Zo is het meest praktische effect van sociale dominantie dat het dominante individu naar keuze voedsel kan toewijzen”.

Ironisch genoeg wees Mech naar meer spanning tussen het mannelijke en het vrouwelijke fokdier, en tussen de ouders en hun nakomelingen, dan dat we naar ik geloof ooit gezien of gedocumenteerd hebben in het Canadese centrum voor Wolvenonderzoek (een roedel in gevangenschap op een afgesloten terrein van 4 hectare; bv Fentress et al, 1987; Gadbois, 2002). Dat over het idee dat wolven in gevangenschap waarschijnlijk meer dominantie vertonen dan wolven in het wild. Ik wacht nog steeds op het bewijsmateriaal (feitelijke gegevens) dat suggereert dat gevangen wolven meer gestrest zijn dan die in het wild. Tot dusver zie ik alleen maar de tegenovergestelde trend, of helemaal geen verschil.

Wat mij betreft, ik houd het tenminste gedeeltelijk bij de ‘rol theorie’ voorgesteld door wetenschappers als Bernstein, Fedigan, Gartland en Mech (Mech, 1999, schrijft over ‘arbeidsverdeling’, een vergelijkbaar concept). Bij wolven is duidelijk dat de dominantiehiërarchie op zijn plaats is om het zich voortplantende paar te bepalen (want alleen de vroeger als ‘alpha reu’ en ‘alpha teef’ aangeduide dieren planten zich voort; wolven zijn ‘technisch’ monogaam). Dit is duidelijk te zien via merkbare pieken in agressie in (gevangen en vrij levende) roedels gedurende het paarseizoen (van januari tot maart). Onze belangrijkste roedel in gevangenschap in het Canadese Centrum voor Wolvenonderzoek laat zelden significante agressie of dominantieconflicten zien buiten het paarseizoen (met een paar uitzonderingen gedurende het 30-jarige leven van deze roedel). En zelfs tijdens het paarseizoen, zo vond mijn masterstudent Barbara Molnar toen ze de videobanden van mijn promotieonderzoek opnieuw analyseerde, zijn ze nog steeds bijna drie keer zoveel bezig met samenbindend gedrag (bv spelen) dan dat er agonistische gedragingen zijn tijdens die meer ‘conflictueuze’ tijd van het jaar.

We vergeten ook dat niet alle roedels (in gevangenschap of in het wild) hetzelfde zijn. Sommige vormen kernfamiliegroepen (moeder, vader, pups van dat jaar). In die groepen heb je minder kans om enige dominantiehiërarchie te vinden. Waarom? Nou, vooreerst gaan wolven geen deel uitmaken van de dominantiehiërarchie voordat ze geslachtsrijp zijn (in de puberteit). In principe is dat pas in hun eerste winter/lente, en vaak niet tot in het volgende paarseizoen, met andere woorden wanneer ze goed twee jaar zijn. Dus dergelijke kern- of directe familiegroepen (zoals bij de Arctische wolven van Ellesmere) zijn onvergelijkbaar met wolven die uitgebreide familiegroepen vormen die meerdere generaties omvatten (met neven, ooms, tantes en zelfs grootouders die deel uitmaken van de groep). In die familiegroepen zullen er individuen geïnteresseerd zijn in fokken buiten het leidende paar. Dat zal leiden tot conflicten (merk op dat in principe in grotere roedels sommige ranglageren uiteindelijk nooit een kans op voortplanting hebben zonder het leidende koppel uit te dagen).

Een ander vergeten kenmerk van dominantiehiërarchieën in wolven, mensen of andere dieren, is dat ze aanwezig zijn om conflicten en agressie te voorkomen, niet om daaraan bij te dragen. In feite gebruiken wolven meestal geritualiseerde agressie, geen contactagressie.

Om deze discussie over dominantie samen te vatten:

  1. Dominantie en dominantiehiërarchieën bestaan in wolven.
  2. Het gaat niet allemaal over dominantie, in feite hebben ze liever plezier met hun maatjes.
  3. Honden zijn geen wolven.

3. De evolutie van de hond heeft niets te maken met wolven

Nou, dat laatste punt brengt nog een ander probleem aan de oppervlakte… Eigenlijk is de moderne moleculaire genetica daarover vrij duidelijk: ze zijn om en nabij hetzelfde… In de afgelopen tien jaar ging het debat er vooral over wanneer en waar de ‘splitsing’ ontstond.

Maar om het redeneerkundige spel hier weer te spelen… ze zijn om en nabij niet hetzelfde. We besteedden eeuwen om selectief het agressieve gedrag in wolven weg te werken en ze doelgericht meer volgzaam te maken… Waarom er dan op aandringen ze nog steeds als wolven te zien? Faalden we in ons kunstmatige selectie experiment (selectief fokken), of zijn we gewoon geobsedeerd door status en rang (denk aan gildes, het leger, de academische gelederen, rivaliteit tussen broers of zussen)?

En nogmaals, wat voor soort relatie wil je met je huisdier? Persoonlijk zou ik liever een vriend hebben dan een concurrent of een slaaf. Ik begrijp niet de paranoia, of de dienstbaarheid invalshoek. Dat is waarom ik honden uitkies als huisdier, en geen grizzlyberen of veelvraten.

Om onze huidige kennis over de herkomst van honden samen te vatten:

  1. Honden: ze zijn vrijwel niet te onderscheiden van wolven, genetisch gezien. Het is zeker gemakkelijker om de overeenkomsten dan de verschillen te zien. Op een of andere manier is het vandaag de dag trendy om over de verschillen te spreken.
  2. Honden en wolven: ze zijn op z’n minst zeer dicht bijeen in evolutionaire termen. Coppinger bespreekt dit in genealogische termen, Fentress refereerde aan het evolutionaire bos (tegenover de evolutionaire boom). Mooie metaforen in beide gevallen.
  3. Uiteraard veroorzaakte de domesticatie veranderingen. Dat was het hele punt. Het accentueren van verschillen om het idee te promoten dat het andere soorten betreft gaat voorbij aan waar kunstmatige selectie over gaat (bv veroorzaken van neotenie)

Voor de mensen die in de afgelopen twintig jaar sommige van mijn berichten op internet (Facebook, de oude ‘applied ethology listserv’, ’human ethology list’ etc.) gevolgd hebben: ik weet dat ik sommigen soms erger met mijn relativerende houding en mijn op redeneerkunst gebaseerde stijl. Maar wetenschap gaat NIET over alles-of-niets of zwart of wit oordelen, tenminste, niet voor lang. Wetenschap is niet onfeilbaar, noch is het dogmatisch. Wetenschap is een houding, een cognitieve stijl, een methode. En ik accepteer niet het idee dat het populariseren van wetenschap en het vertalen van kennis betekent dat je de informatie oversimplificeert, in het bijzonder niet wanneer je communiceert naar mensen die anderen onderwijzen over gedrag, honden en wolven. Wellicht denken sommige wetenschappers dat het publiek niet slim genoeg is om hen alle informatie en noodzakelijke nuances te geven. Ik geef het publiek liever het voordeel van de twijfel en laat hen beslissen.

Aangezien de lente voor de deur staat, denken de wolven al na over holen, pups, spel en plezier en laten ze de politiek achter zich voor een volgend jaar. Ik wens jullie hetzelfde, tot de volgende keer.
😉

Simon Gadboisdr. Simon Gadbois
Canid Behaviour Research Laboratory
Dalhousie University
Halifax, Nova-Scotia, Canada
@GadboisSimon
Lab Facebook Page
Lab Facebook Group

Note: Het Dalhousie University Canid Behaviour Research Team gebruikt drukvrije, positieve methoden om honden te trainen voor geurdetectie, geurdiscriminatie, geur-identificatie, speuren en zoeken. Alle honden zijn huisdieren, beschikbaar gesteld door hun eigenaren, en geselecteerd op hun temperament, trainbaarheid, geurcapaciteiten en speldrift (‘werk’drift). Om die reden zijn 95% van onze vrijwilligers Border Collies of Border Collie-kruisingen.

Waiting for the testing room to open

Foto Canid Behaviour Research Team: wachten tot deur van de testruimte open gaat.

*) Domjan schrijft in zijn populaire boek (pag. 302, 2003, 5e editie) “Op basis van een paar experimenten concludeerden Thorndike (1932) en Skinner (1938, 1953) dat correctie een niet erg effectieve methode was om gedrag te controleren en dat het op z’n best tijdelijke effecten had (zie ook Estes, 1944). Deze claim werd niet serieus getoetst tot de 1960’s, toen het proces van corrigeren uitvoeriger werd onderzocht (Azrin & Holz, 1966; Campbell & Church, 1969; Church, 1963; Solomon, 1964). We weten nu dat correctie een effectieve techniek kan zijn voor gedragsmodificatie (Dinsmoor, 1998)”.

Literatuurverwijzingen

Simon Gadbois seminar in Nederland

Simon Gadbois was op 6 en 7 (en 8) juni 2015 te gast bij Doggo.nl en gaf in Kamerik een lezing over Ethologie, Neurologie en Psychologie van honden.

Credits

Dit artikel is een gastbijdrage van Simon Gadbois van 2 april 2015 aan de Do You believe in dog? blogspot
Met dank aan Alfred Ballast voor de vertaling.

Reacties

Doggo maakt gebruik van cookies voor het analyseren van onze bezoekers, social media en het tonen van advertenties. meer informatie

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close