Biedt een puppytest garantie voor de toekomst?

PuppytestWelke pup is geschikt als werkhond of assistentiehond?

Werkende honden, ze zijn niet meer weg te denken uit ons straatbeeld. Waar ze in het verleden vooral op het platteland, bij de politie en in het leger te vinden waren, ontdekken steeds meer organisaties de toegevoegde waarde van het inzetten van een hond. Hierbij kan worden gedacht aan blindengeleidehonden, hulphonden, PTSS honden en nog heel veel andere vormen van dier ondersteunende interventies. In veel situaties nemen achterliggende professionele instanties of gedragstherapeuten puppytesten af om te kunnen bepalen welke pup het opleidingstraject in gaat of waar hij het meest geschikt voor is. Maar wat zegt zo’n test nu eigenlijk? De meningen zijn hierover verdeeld.

Veel rasverenigingen, gedragstherapeuten en organisaties rondom werkende honden nemen puppytesten af. Het is immers van belang voor de fokker, de hond én de afnemer dat de pups op een plek terecht komen waar hun kwaliteiten optimaal benut kunnen worden. Vanuit de wetenschap klinken echter al langer signalen dat puppytesten helemaal geen toegevoegde waarde hebben als het gaat om enige mate van voorspelbaarheid van toekomstig gedrag. Maar waarom dan toch al die puppytesten? Een interessante discussie tussen de wetenschap en de praktijk. Eerst maar eens bekijken vanuit de wetenschap.

Thomas Stofzuigers

Assistentiehond puppy

Assistentiehond in opleiding. Foto bron: Jami430 [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)]

De wetenschap

In de tweede helft van de 20e eeuw zijn regelmatig onderzoeken verricht naar de voorspelbaarheid van puppytesten ten opzichte van de ontwikkeling naar latere leeftijd. Zo hebben bijvoorbeeld  Scott en Fuller1 (1965) onderzoek gedaan naar gedrags-, ontwikkelings- en genetische verschillen bij verschillende rassen. Scott en Bielfelt2 (1976) hebben onderzoek verricht naar puppytesten met als doel om de toekomstige bruikbaarheid van de pup als geleidehond te voorspellen en Goddard en Beilharz3 (1984) hebben onderzoeken voor geleidehonden geëvalueerd inzake erfelijkheid, met name in het geval van angst, en naar de voorspelbaarheid van toekomstig gedrag (1986)4. Uit deze testen is echter gebleken noch bewezen dat er sprake is van enige voorspellende waarde.

In 1978 zijn Erik Wilsson (Departement van Zoölogie van de Universiteit van Stockholm, Zweden), en Per-Erik Sundgren (Departement van Dierenvoortplanting en Genetica, Universiteit van Agrarische Wetenschappen te Uppsala, Zweden) gestart met een onderzoek naar de voorspelbaarheid van toekomstig gedrag bij pups. Het doel van dit onderzoek was om te bepalen of een puppytest geschikt zou zijn als voorspelbare waarde in toekomstig gedrag, en in dit specifieke geval of de betreffende pup op volwassen leeftijd geschikt zou zijn als hulphond. Bijna 20 jaar later, op 25 juni 1997, hebben zij hun onderzoek gepubliceerd.

Note: Naast deze primaire test was er ook sprake van een aanvullend doel, namelijk om te bepalen of gedragseigenschappen erfelijk zijn. Op dit testonderdeel wordt in dit artikel niet verder ingegaan. 

Puppytest Duitse HerderDe voorbereidingen

Om het onderzoek naar de voorspelbaarheid van gedrag te kunnen beoordelen hebben Wilsson en Sundgren er bewust voor gekozen om tijdens het onderzoek alleen gebruik te maken van één bepaald ras, in dit geval de Duitse Herdershond. In de huidige tijd lijkt de keuze voor Duitse Herder bij onderzoek naar geschiktheid tot hulphond misschien een verrassende, maar in het verleden werd de Duitse Herder regelmatig ingezet als hulp- of geleidehond. In verband met zijn soms wat dwingende karakter, wat niet altijd tot een succesvolle samenwerking leidde met zijn nieuwe (lichamelijk beperkte) eigenaar, wordt er tegenwoordig voornamelijk gekozen voor de wat mildere Retrievers, Poedels en kruisingen daarvan.

Om de externe invloeden tot een minimum te beperken zijn alle pups, die tijdens het onderzoek zijn gebruikt, gefokt en geboren bij het Zweeds Honden Trainings Centrum (SDTC). Tijdens de dracht verbleven de teven bij gastgezinnen, waarna ze circa 2 weken voor de uitgerekende datum weer naar het SDTC zijn gehaald om daar te werpen. Vanaf het moment dat de pups geboren waren tot het moment vlak na de eerste testen (ca. 8 weken), verbleven de pups bij de moederhond op het SDTC. Direct na de testen zijn de pups bij puppywalkers ondergebracht tot het moment van vervolgtesten op latere leeftijd.

Het onderzoek

In totaal zijn er in de periode van 1978 – 1983 1.235 pups getest op de leeftijd van ca. 8 weken oud. De pups zijn, afzonderlijk van elkaar, in een lege en afgesloten werpkist geplaatst en getest op de opeenvolgende onderdelen:

  • de emotionele onrust als zij alleen werden gelaten (piepen, blaffen)
  • het maken van contact met een onbekende persoon (contact I)
  • het pakken van een tennisbal die werd weggerold (pakken)
  • het apporteren van de tennisbal uit punt 3 (apporteren)
  • de reactie op een grotere bal (13cm) (grote bal)
  • de reactie op een uitnodiging tot een trekspel met een katoenen doek (trekspel)

Na afronding van deze testonderdelen is de testlocatie verplaatst naar een grotere (3,60m x 3,60m) en voor de pups onbekende ruimte. Bij dit deel van de test zijn alle pups van hetzelfde nest tegelijk in de nieuwe testruimte geplaatst. Naast één nieuw voorwerp (een houten balk van 20cm lang) zijn ook de drie voorwerpen uit het eerste deel van de test (de tennisbal, de grotere bal en de katoenen doek) in de ruimte gelegd (voorwerpen bezocht). Op de vloer was een cirkel getekend op basis waarvan de activiteit gemeten kon worden. Daarnaast nam ook de testpersoon plaats in de ruimte, zonder enige vorm van aandacht aan de pups te geven. Het doel van deze test was om het onderzoekgedrag van de hond in de aanwezigheid van een passief persoon te bepalen (contact II).

Na deze testen zijn de pups bij de eerder genoemde puppywalkers ondergebracht, waarna zij op de leeftijd van 450 – 600 dagen (ca. 1 jaar en 3 maanden – 1 jaar en 8 maanden) weer terug zijn gekomen om opnieuw getest te worden. De tweede test kwam in grote lijnen overeen met de eerste test, met uitzondering dat bij de testen op de volwassen honden ook situaties zijn toegevoegd waarbij de honden zijn bedreigd of blootgesteld zijn aan angstopwekkende prikkels, situaties die vanzelfsprekend niet geschikt waren voor pups. 

Tussentijdse aanpassingen

Tijdens de testperiode zijn een aantal honden, en daarmee ook de geteste uitslagen, uitgesloten van resultaat. De grootste groep uitsluitingen heeft betrekking op het wijzigen van de voeding van de pups. Doordat de pups vanaf jaar 3 andere voeding kregen daalde het gemiddelde gewicht van de pups aanzienlijk. Als gevolg van deze grote verschillen zijn de testuitslagen van de eerste twee testjaren niet in de beoordeling zijn meegenomen. De definitieve analyse heeft plaatsgevonden op de resterende 630 pups die zijn getest in jaar 3 t/m 6.

Analyse voorspelbaarheid van gedrag

Na verwerking van de testresultaten van alle 630 geteste honden zijn Wilsson en Sundgren tot de ontdekking gekomen dat het verschil in leeftijd op het moment van testen een zeer belangrijke factor is. Vooral bij teefjes resulteerde één dag leeftijdsverschil op het moment van testen tot een aantoonbaar verschil van ruim 5 seconden die de pup tijdens de test korter in de cirkel verbleef. Mede als gevolg hiervan hebben zij geconcludeerd dat de ontwikkeling van pups niet alleen per nest verschillend is, maar ook per sekse. Als dit inderdaad zo blijkt te zijn dan zou dit bevestigen dat een puppytest geen voorspellende waarde blijkt te hebben. Dit wordt, tezamen met andere testonderdelen, bevestigt met de resultaten in tabel 1.

Puppytest onderzoek

Tabel 1

In tabel 1 zijn de uitkomsten van de testen afgezet tegen bepaalde gedragsuitingen. Bij het bepalen van de uitkomsten hebben Wilsson en Sundgren overigens verschillende statische methodes gebruikt om zodoende te kunnen bepalen of de uitkomsten in die situaties aantoonbaar anders zouden zijn.

Bij elke uitkomst, waarbij er geen aantoonbare verwijzing is van het geteste gedrag op volwassen leeftijd naar de eerdere uitkomsten van de puppytesten, staat in de tabel niet significant (ns) vermeld. Zoals je kunt zien hebben niet meer dan 5 van de mogelijke 90 scores enige overeenkomst tussen het puppygedrag en het gedrag op volwassen leeftijd (5,5%). Deze aantallen wijzen dus eerder op puur toeval dan dat er van een wetenschappelijke onderbouwing sprake is. Ook bij de andere methodes die Wilsson en Sundgren hebben gehanteerd kwam een soortgelijke uitslag. Dit betekent dat géén van de methodes een duidelijke voorspelbaarheid heeft geleverd naar gedrag op volwassen leeftijd.

Puppytest spelgedrag

De belangrijkste conclusies

Op basis van bovenstaande informatie hebben Wilsson en Sundgren geconcludeerd dat het testen van pups, op een leeftijd waarbij het gedrag in hoog tempo verandert, onvoldoende voorspelbaarheid geeft voor toekomstig gedrag. Omdat leeftijd van grote invloed is op de voorspelbaarheid, zou het logischer zijn om pups op een latere leeftijd te testen. Op het moment dat het gedrag van de pup immers wat ‘volwassener’ is, zal dit minder veranderen ten opzichte van latere leeftijd. Deze conclusie wordt overigens gedeeld met de reeds eerder genoemde Goddard en Beilharz4 tijdens hun onderzoek naar de voorspelbaarheid van gedrag bij blindengeleidehonden.

De belangrijkste conclusies die Wilsson en Sundgren tijdens het onderzoek hebben getrokken zijn dat;

  • het verschil in gedrag tussen pups vooral wordt verklaard door erfelijke omstandigheden en de nestomgeving;
  • toekomstig gedrag niet kan worden voorspeld op basis van een test verricht op een leeftijd van 8 weken;
  • organisaties die honden trainen voor toekomstige werkzaamheden hun programma niet zouden moeten baseren op informatie die is gegenereerd op basis van puppytesten op de leeftijd van 8 weken.

Kanttekeningen en conclusies

Wilsson en Sundgren hebben het onderzoek groots aangepakt door te starten met 1.235 pups die allemaal op dezelfde plek ter wereld zijn gekomen. Door gebruik te maken van een gecontroleerde nestomgeving gedurende de eerste 10 weken (vanaf 2 weken voor het werpen tot ca. 8 weken leeftijd), hebben zij de externe invloeden op het nest zo voorspelbaar mogelijk gehouden.

Doordat de ouderhonden echter tot 2 weken voor het werpen op een externe locatie zijn verbleven, hebben zij een bepaald stuk van de voorspelbaarheid uit handen gegeven.

  • Eventuele onverwachte omstandigheden (trauma’s, leefomgeving, etc.) tijdens de dracht zouden immers gevolgen kunnen hebben voor het gedrag van de pups na geboorte. Ditzelfde geldt voor de periode tussen de twee testen in.
  • De leefomgeving van een jonge hond is van invloed op zijn toekomstige ontwikkeling als werkhond (Goddard en Beilharz5, 1982), waardoor de uitkomsten van de tweede testen beïnvloed zouden kunnen zijn.

Tenslotte levert dit onderzoek vooral informatie op over de voorspelbaarheid van toekomstig gedrag van de Duitse Herdershond. Om deze conclusie op alle hondenrassen los te laten, zal tenminste de ontwikkeling van pups van andere rassen op gelijke leeftijd en omgeving onderzocht moeten worden.

Puppytesten in de praktijk – zin of onzin?

De vraag of een puppytest wel of geen zin heeft wordt bepaald door het doel van de test. Dit laat zich het beste vergelijken met een proefrit in een tweedehands auto. Als je aan proefrit gaat maken om zodoende het toekomstig schade- of reparatieverloop in te kunnen schatten, dan is de kans vrij groot dat je je hierbij bedrogen uitkomt. Als je als koper echter meer informatie wil hebben over de kwaliteit en de rijvaardigheid van de auto op dat specifieke moment, dan is een proefrit daar een uitstekend middel voor. Net als bij een proefrit zegt een puppytest vooral iets over het karakter en het gedrag van de pup op het moment van testen. Dat dit door onvoorziene omstandigheden tussentijds kan veranderen is absoluut iets om rekening mee te houden.

Is een puppytest hierdoor helemaal onzin?

Nee, ik denk van niet. Voor veel potentiële kopers en professionals is deze informatie over ‘de aard van het beestje’ voldoende om op basis daarvan een keuze te maken. Vervolgens is het natuurlijk van belang om de pup op een manier te begeleiden dat zijn kwaliteiten zo goed mogelijk worden benut en ongewenste situaties worden voorkomen. Eigenlijk dus precies hetzelfde als bij de proefrit en aanschaf van jouw volgende auto.

Referenties

  1. P. Scott, J.L. Fuller, 1965. Genetics and the Social Behavior of the Dog. Chicago Press, Chicago
  2. P. Scott, S.W. Bielfelt, 1976. Analysis of the puppy-testing program. In: Pfaffenberger, C.J., et al., (Eds.), Guide Dogs for the Blind: Their Selection, Development and Training, Elsevier, Amsterdam, pp 39-76
  3. E. Goddard, R.G. Beilharz, 1984. A factor analysis of fearfulness in potential guide dogs. Appl. Anim. Behav. Sci. 12, 253-265
  4. E. Goddard, R.G. Beilharz, 1986. Early prediction of adult behavior in potential guide dogs. Appll. Anim. Behav. Sci. 15, 365-393
  5. E. Goddard, R.G. Beilharz, 1982. Genetic and envireonmental factors affecting the suitability of dogs as guide dogs for the blind. Theor. Appl. Genet. 62, 97-102

Credits

Dit artikel is geschreven door Edgar van de Kamp van HondBewust.com

Reacties

Doggo maakt gebruik van cookies voor het analyseren van onze bezoekers, social media en het tonen van advertenties. meer informatie

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close